Blogs

Onderwijs-zorgarrangementen: een cijferexercitie

699

Hoe bepaal je als gemeente voor hoeveel kinderen je een onderwijs-zorgarrangement in moet richten? Het noemen van een exact aantal is lastig, omdat er cijfers bestaan over de afzonderlijke vragen in afzonderlijke gebieden, maar niet over de specifieke combinaties.

We hebben aardig zicht op hoeveel kinderen een vorm van zorg nodig hebben. Zo weten we dat ongeveer 2 tot 5 op de 10.000 kinderen een vorm van autisme heeft, dat er 68.000 kinderen zijn met een IQ lager dan 70 die gedrags- en ontwikkelingsstoornissen hebben én dat er 32.000 kinderen speciaal onderwijs genieten.

Dat is allemaal mooi en aardig, maar achterhaal maar eens het aantal kinderen waarvoor je in Doetinchem een arrangement moet maken. En achterhaal dan ook nog eens de combinaties: autistisch, maar met een thuismilieu dat het kind met ambulante steun daar ‘houdt’; of een verstandelijk beperkt kind met externaliserend gedrag, dat thuis niet te handhaven is. Iedere combinatie is anders en vraagt een ander arrangement. Dat alleen al brengt veel mensen ertoe te zeggen dat het onmogelijk is een bulk onderwijszorgarrangementen te maken.

Grip op aantallen

Toch is het nodig om te kijken hoeveel arrangementen van een bepaald type nodig zijn. Zonder grip op aantallen is elk nieuw geval een nieuwe verrassing en iedere keer weer problematisch om te regelen. Voor de makers van nieuwe arrangementen zijn twee duidelijke basisgegevens noodzakelijk:

• Definieer het gebied waarin dat nieuwe arrangement(en) moet werken;
• Zoek uit om hoeveel kinderen het gaat.

Het vaststellen van het gebied waarin een arrangement moet gaan werken is niet erg moeilijk. Voor de ambtenaren die goed kunnen werken met de Statline-gegevens van het CBS is het verkrijgen van cijfermateriaal tegenwoordig ook beter te doen. Het ministerie van VWS geeft trouwens cursussen over Statline.
Cijfers vanuit het onderwijs kunnen behoorlijk betrouwbaar zijn en dat is bij jeugdhulp niet anders sinds de aanbieders daar registreren op het unieke burgerservicenummer. De actualiteit van die laatste cijfers ligt tussen de vier en de tien maanden. Een lastig punt bij de jeugdhulpcijfers zijn wel de gegevens van kleine aanbieders, die ontbreken vaker. Ander lastig puntje is wel dat soms hulptrajecten met meerdere soorten hulp in de registratie voor 1 tellen.

Het zoeken naar harde, betrouwbare cijfers uit de jeugdhulp en die naast de onderwijscijfers leggen vergt inventiviteit en een goed oog voor privacy-aspectenHet zoeken naar harde, betrouwbare cijfers uit de jeugdhulp en die vervolgens naast de onderwijscijfers leggen vergt dus enige inventiviteit en een goed oog voor privacy-aspecten. Het is wellicht wijs enkele onderzoekers toegang te geven tot dossiers uit beide velden om te zien of de bevindingen kloppen. Daar zouden huisartsen, zorgkantoren en zorgverzekeraars ook bij betrokken moeten worden, want hoe beter en veelomvattender de cijfers, hoe makkelijker het kan zijn voor bepaalde typen onderwijs-zorgarrangementen te kiezen. Die cijfers zijn ook nodig om greep te krijgen op de uitgaven voor het hele gebied en alle kinderen. Zonder zo’n overzicht is het voor gemeenten en samenwerkingsverbanden onmogelijk goede financiële kaders te scheppen voor de arrangementen . Laatste waarschuwing: let op de schommelingen in jeugdhulpaanbod, die kunnen in kleine gemeenten soms verrassend groot zijn.

Prevalentie en incidentie

Ook op het niveau van de gemeente zijn er dingen eenvoudiger te maken. Vrijwel elke gemeente heeft een afdeling statistiek en die kan tonen hoeveel kinderen er in een jaar geboren zijn. Van die nieuwe burgers zouden 5% min of meer intensieve jeugdhulp nodig hebben en 10% incidentele zorg of lichte ondersteuning. Dat betekent wanneer je 5% van de kinderen uit het geboortecohort van 2016 neemt, je toch behoorlijk goed weet hoeveel kinderen er elk jaar vormen van zorg moeten krijgen. Zo krijg je met een simpel cijfer enige greep op het ‘vermoedelijke’ aantal kinderen waarvoor arrangementen nodig kunnen zijn. Maar dat is een voorspelling en zo’n voorspelling heeft een beperkte waarde  gelet op de al eerder genoemde schommelingen in kleinere gemeenten..

Men moet ook kijken naar de mate van prevalentie en incidentie van specifieke hulpvragen. Een prevalentiecijfer geeft aan hoeveel kinderen een bepaalde storing hebben, maar dat is iets anders dan de incidentie: het aantal kinderen dat in 2016 met zo’n storing is gediagnosticeerd. Het is niet helemaal wereldvreemd om te vermoeden dat er verschillen zullen bestaan tussen het gevonden geboortecohort, het feitelijke verbruik van hulp en bestaande gegevens over prevalentie en incidentie. Dat is een interessant vertrekpunt voor de cijferexercitie .

Voor meer informatie over correlaties, zie de eindrapportage
Exploratief onderzoek naar het zorglandschap specialistische jeugdhulp
.

 

Deze blog is de derde van 4 blogs over hoe je tot goede onderwijs-zorgarrangementen komt. Lees het eerste deel en het tweede deel terug.
Meer weten? Ga naar www.onderwijsjeugd.nl.

Over de auteur

Paul Nota

Werkte als journalist, beleidsadviseur, trainer, ambtenaar en expert in jeugdbeleid. Houdt zich vooral bezig met preventie en rendementsvragen.

Wat fijn dat je jouw bijdrage wilt geven! Om dat te doen dien je eerst in te loggen.

Heb je nog geen profiel? Registreer dan eerst om een nieuw profiel aan te maken.
Functie(s): Adviseur
Organisatie: Zelfstandige; Advies Verandering Projectleiding in het sociaal domein
Sector / werkveld: Onderzoek en advies
Functie(s): Adviseur
Organisatie: De Pannenboog
Sector / werkveld: (onbekend)
Functie(s): Beleidsmedewerker
Organisatie: Nederlands Jeugdinstituut
Sector / werkveld: Jeugdzorg
Functie(s): Adviseur
Organisatie: William Schrikker Groep
Sector / werkveld: (onbekend)
HomeThema'sWerkgroepenDeelnemersOver dit platformUpdatesPrikbordBlogs3 vragen overKalenderPraktijkvoorbeeldenVraag & Antwoord